Fragment "Schutsheer"

Marthom keek van over zijn pul lauw maanbier doorheen de gelagzaal. Er hing een biergeur, vermengd met het zweet van de stamgasten. In sterk contrast hiermee kwam uit de keuken een damp binnendrijven die kookgeuren met zich meebracht die hem deden watertanden. Marthom nam een spaarzame slok van het bier. Hij genoot van elke teug, wetende dat het de komende weken wel eens moeilijk zou kunnen worden nog aan een kroes maanbier te geraken. Het leek een dag te worden zoals alle anderen. De herbergier stond rustig achter zijn toog een praatje te maken met twee soldeniers van de stadswacht. Waarover het juist ging, kon hij doorheen het dagdagelijkse geroezemoes van de gasten niet horen maar dat maakte niet echt uit. Het verslag zou hij later op de dag wel te lezen krijgen. Maureen kwam schalks knipogend langs zijn tafeltje in de hoek en wendde zich met haar wiegende heupen naar een tafeltje verderop waar een zestal mannen van de stedelijke wacht zaten. Ze zette haar dienblad neer op hun tafeltje en ging er naast zitten om hen zo te bedienen. Haar haren uit de weg schuddend boog ze zich diep voorover zodat haar diep uitgesneden bloes haar inhoud prijsgaf aan één van de soldaten wiens neus zich plots bijna tussen haar welgevormde borsten bevond. De man kreeg een hoofd als een pioen, tot groot jolijt van zijn makkers. Marthom grinnikte en prees Maureen in zijn gedachten. Voor de avond goed en wel voorbij was, zou hij alle nieuwtjes van de stadswacht weten, zowel de algemene als de meer geheime.  Een frisse tochtvlaag die hem tegemoet kwam, deed hem opkijken. De man die net was binnengekomen, kwam duidelijk recht van een schip. Alles aan de man straalde zeemanschap uit, maar het was geen doorsnee matroos. Hun blikken kruisten elkaar en de man glimlachte terwijl hij op Marthoms tafeltje afstapte. Marthom rekte zich en greep de pul maanbier, die de herbergier al getapt had toen de man binnenkwam en hem nu van achter zijn toog aanreikte. De pas aangekomen man zette zich met een zucht neer op de stoel tegenover Marthom. Met een dankbare blik op Marthom nam hij de kroes over en zette hem aan zijn lippen. Na een lange teug belande de bierpul met een luide klap weer op het tafelblad.

“Hà, dat kan een mens deugd doen.”

Marthom keek langs de man heen in de richting van de deur, alsof hij nog iemand verwachtte. “Is Marrol er niet bij?”

De man tegenover hem schudde het hoofd. “Die had andere dingen te doen. Eén of andere zoektocht voor een echte Meester van Dhûbh. Iets over het redden van de wereld of zo.” De man leunde wat naar voor. “Maar we hebben een goede buit binnengehaald. Twee snelle schepen die we buitgemaakt hebben op de Witte Krijgers. We zijn wel eerst langs Binnenwacht gegaan want ons nieuw toegeëigende schip had wat averij opgelopen.” Hij leunde nu nog iets verder naar voor en sprak wat stiller: “Maar wat misschien interessanter is, is de inhoud van hun ruim. Zwaarden, bogen, pijlen en nog ander wapentuig.” Jaak, want zo heette de man, leunde weer achterover en nam een stevige slok van zijn bierpul.

Marthom kruiste zijn armen en er verscheen een bedachtzame blik in zijn ogen. Het was niet de buit die hem het meest interesseerde, maar de onuitgesproken boodschap die erin verborgen zat. Marrol had zijn lot dus verbonden met de op het eerste zicht verliezende partij. Er was een delegatie van de Witte Krijgers in de stad. Ze waren in het grootste geheim binnengesmokkeld. Als er iets stiekem de stad in kwam, was Marthom echter steeds op de hoogte. Dat was nu eenmaal wat hij deed. Eén van de vele dingen die hij deed, eigenlijk. Niet het belangrijkste, maar best wel lucratief. De onderhandelingen met de Stadhouders leken meer en meer in het voordeel van de bezoekers uit te vallen en ook Marthom had al bijna besloten om een alliantie met de Witte Krijgers aan te gaan. Daar was ten slotte de meeste winst te halen. De Witte Krijgers schenen ook zeer sterk te staan. De krijgers van Dhûbh waren volgens hen helemaal uitgeroeid en de Witte Krijgers hadden het halve Noordelijke Halfrond veroverd. Marthom wist dat de ene Stadshouder zijn beslissing al genomen had. Hij had beloofd geen troepen te sturen naar de Rode Keer zodat de Witte Krijgers daar zouden winnen. De andere Stadhouder echter, vertrouwde het hele zaakje niet. Tussen de regels door begon Marthom het belang van de boodschap te zien. Als er een Meester van Dhûbh was, dan waren er ook nog krijgers van Dhûbh. Waarschijnlijk enkele honderen of zelfs meer, maar duidelijk uit het oog van de Witte Krijgers verstopt. Marrol had gemakkelijk de kant van de sterkste kunnen kiezen, maar dat had hij duidelijk niet gedaan. Hij was dus overtuigd dat die Meester van Dhûbh wist waar hij mee bezig was en vond het klaarblijkelijk de moeite waard hem te volgen. “Nog een beetje meer informatie graag,” zei Marthom. “Wie was er nog mee aan boord van het schip?”

Jaak dacht even na. “Wel, er was een Jager, je weet wel, zo’n puntorige vanuit de grote wouden aan de overkant. Er waren enkele ruwe soldaten, Nordlanders. Dan ook nog een paar jongelingen die ondanks hun leeftijd het zwart al droegen en natuurlijk de Meester zelf, die ook nog heel jong was om een Meester te zijn. Hij werd altijd gevolgd door een vrouw in een harnas die haar helm geen enkele keer heeft afgezet. Een keer heeft ze volgens een van de matrozen een handschoen uitgedaan en de man zweert dat ze schubben had. Hà! Schubben. Ik heb hem straf gegeven omdat hij teveel gedronken had. Er was ook nog een soort van een reusachtige tamme wolf die bij de Meester van Dhûbh hoorde. Echt een vervaarlijk beest, beet zomaar de kop af van een van de Witte Krijgers. Op zijn minst een interessant gezelschap.”

Marthom probeerde zich alles te herinneren wat hij ooit gelezen  had over de Grote Oorlog en de eeuwen van voorspoed die eraan vooraf gingen. Iets had ergens in zijn hoofd een belletje doen rinkelen maar hij kon er zijn vinger niet op leggen. Geërgerd schudde hij het hoofd. Hij zou zijn bibliotheek moeten raadplegen. Er waren nog veel dingen te doen, maar die kon hij overlaten aan zijn luitenants. Hij wenkte een van de mannen die wat verderop aan een tafeltje zaten en die ogenschijnlijk niets met hem te maken hadden. “Jaak, vanaf nu doe je zaken met Smisse hier. Hij is van alles op de hoogte en je kan hem honderd procent vertrouwen. Smisse, Jaak hier heeft dingen te koop. Je moet er geen kopers voor zoeken, ik koop ze zelf. Voorlopig dan toch, later zien we wel verder. Kijk de ruimen van de twee schepen na en haal eruit wat niet kan dienen voor een veldtocht. De overgebleven plaats vul je aan met tenten en proviand. Als alles in orde is, kom je naar het landhuis.”

De twee mannen knikten en gingen weg. Met een zware zucht stond Marthom op en wandelde de herberg uit. Zonder angst wandelde hij doorheen de donkere achterstraatjes van Amudan. Niemand zou het in zijn hoofd halen Heer Marthom te overvallen. Zelfs de meest onnozele beurzensnijder wist dit. Hij genoot de volledige bescherming van de onbekende leider van de Orde van Shéeram oftewel het dievengilde. Slechts enkele mensen wisten dat Heer Marthom, de Stadhouder van Amudan, ook de geheimzinnige leider was van een al even ondergronds genootschap, het Smokkelaarsgilde. Glimlachend schudde hij het hoofd. Het was allemaal begonnen als een kwajongensstreek. De uit de hand gelopen grap groeide uit tot een amusant en vooral boeiend tijdverdrijf, ver weg van alle doodsaaie regeltjes van het hof. Zijn vader, de vorige Stadhouder, en zijn moeder, deden hun best om van hem een respectabele opvolger te maken. Ze waren er ook in geslaagd, of dat had hij ze toch kunnen laten geloven.  Het werd stilaan tijd om zijn kaarten uit te spelen. Maar welke kaarten hij zou uitspelen, moest hij nog beslissen. Hopelijk vond hij de antwoorden op zijn vragen in een van zijn vele boeken, en liefst snel ook. De tijd begon nu stilaan te dringen. Onderweg kreeg hij het vreemde gevoel dat hij bekeken werd. Bij een verlichte etalage van een boekenwinkel waar hij vaste klant was, bleef hij even staan. Hij keek niet echt naar binnen, maar probeerde in de weerspiegeling van het raam een glimp op te vangen van zijn achtervolger. Hij was er bijna zeker van dat er een achtervolger moest zijn, zelfs nu nog kon hij het gevoel bekeken te worden niet van zich afzetten. Hij meende in een portaal aan de overkant van de straat iets te zien bewegen. Zachtjes vloekend zette hij zichzelf weer in beweging. Een straat verder stopte Marthom bij een bedelaar. Terwijl hij een muntstuk in de man zijn nap liet vallen, fluisterde hij hem toe. “Ik heb een schaduw, je weet wat te doen.”

De bedelaar knikte haast onmerkbaar en antwoordde: “Dank mijn heer voor uw welwillendheid.”

Gerustgesteld ging Marthom verder. Nog voor hij de straat uit was, hoorde hij een gesmoord gegrom en het geluid van een kleine schermutseling. Hij zou straks wel te horen krijgen wie er zoveel interesse in hem toonde. Enkele minuten later ging hij zijn residentieel paleis binnen. Hij beende rechtstreeks naar zijn studeervertrekken en zwaaide de grote dubbele deur open. Opgewonden liep hij langs de wanden, waar boekenkasten stonden van vloer tot plafond. Hier en daar haalde hij er een boek uit, waarbij hij enkele keren op een gammel laddertje moest klimmen om het beoogde werk te bereiken. Hij maakte er een stapel van op een klein tafeltje, nam het bovenste boek en begon er koortsachtig in te bladeren. Een paar uur later keek hij nadenkend op uit het zoveelste dikke boek dat op zijn schoot lag. Marthom zat in een fauteuil, aan zijn voeten lagen een hoop boeken op de grond, sommigen op een stapeltje, anderen opengeslagen op een welbepaalde pagina. Een zacht klopje op de nog steeds openstaande deur haalde hem uit zijn overpeinzingen. In het deurgat stond een man die het uiterlijk had van een sjofele dronken bedelaar. Schijn bedroog echter in dit geval. Ghert was één van zijn beste mannen op de straat, onopvallend en doeltreffend. “En?” Marthom gebaarde naar een stoel en bracht Ghert een glas wijn. Ondanks zijn huidige uiterlijk was de man één van de meest vooraanstaande edelen van de stad.

Glimlachend keek Ghert op. “Dankjewel Marre, dat kon ik wel gebruiken.”

Marthom glimlachte terug, “Was het zo erg Gerry?” De twee jeugdvrienden zwegen even. “Dat kan je wel zeggen.” Ghert nam een slok wijn. “Toen we je achtervolger onschadelijk gemaakt hadden, werden we overvallen door vier anderen. Blijkbaar was hij dus niet alleen. Ze waren wel goed, want onze uitkijk zag ze pas toen het al te laat was. Het werd een smeerboel, Marre. Vier tegen twee en het waren geen doetjes, eerder geoefende krijgers. Lowie kon er een verwonden maar een tel later rolde zijn hoofd over de grond en stond ik er alleen voor. Gelukkig had onze uitkijk een boog mee waar hij er twee voor zijn rekening kon nemen. De andere kreeg ik met veel moeite te pakken en je weet dat ik geen slecht zwaardvechter ben. De gewonde probeerde te vluchten, maar ik kon hem toch nog overmeesteren voor hij de hand aan zichzelf sloeg.” Hij nam nog een slokje wijn. “De ratten in de riolen hebben weer eten. Die gaan ze niet snel vinden.”

Marthoms  hersenen begonnen op volle toeren te draaien. De familie van Lowie moest verwittigd worden. Hij liet een vrouw en drie kinderen achter en Marthom vond het zijn taak om ervoor te zorgen dat ze niet tot de bedelstaf vervielen. “Heb je iets los gekregen uit onze gevangene?”

Ghert keek ietwat ongemakkelijk en knikte. “Dat ze voor problemen gaan zorgen. Diegene die vlak achter jou kwam, volgde je niet zomaar. Hij moest je vermoorden.”

Een koude rilling liep over Marthoms rug. Het was niet de eerste keer dat iemand probeerde hem onschadelijk te maken, maar om de een of andere reden voelde het deze keer anders aan.

Ghert keek zijn oude makker recht aan. “Het waren mannen van de “geheime” delegatie uit het Noorden, Witte Krijgers.”

Marthom vloekte honderduit. Vreemd genoeg viel er een zekere rust over hem heen. Hij had besloten wat er moest gedaan worden. Het zat er ooit aan te komen dat de conflicten met de Stadhouder van Amodin deze proporties zouden aannemen. Al jaren probeerde hij Marthom te laten vermoorden. Als één van de twee Stadhouders zou sterven, zou de andere namelijk Stadhouder worden van de twee zustersteden samen. Dat wil zeggen, als er geen opvolging was. Heer Ludwygh van Amodin had nog twee zonen van zesentwintig en zevenentwintig. Twee gemene rotzakken die gelukkig nog niet getrouwd waren. Wat nu zou komen, was iets dat Marthom niet graag deed, maar als hij het niet zou doen, kwam heel het gebied in handen van de Witte Krijgers. Die zouden trouwens toch hetzelfde doen, daar maakte hij zich nu geen illusies meer over. Hij zuchtte: “Goed! Laat Amudan verzegelen. Niemand komt er nog in of uit zonder mijn toestemming. Hou grote kuis, iedereen die hier niet thuis hoort, gooi je eruit. Zeg de Maskermaker dat het zover is. Kondig de staat van beleg af en laat de strijdkrachten alles klaarmaken voor een veldtocht. Vorder elk schip dat je te pakken kan krijgen.” Marthom wachtte even. Wat hij nu moest bevelen, lag hem zwaar op het hart. Langs de andere kant had hij al genoeg moordpogingen door de vingers gezien. Er stond nu ook veel meer op het spel dan de triviale vete tussen de twee Stadhouders. “Breng je voltallige ploeg bij elkaar. We gaan grote kuis houden in Amodin. Iedereen die heult met de Witte Krijgers moet eraan.”

Ghert keek met een mengeling van ontzetting en spannende afwachting aan. “Ben je zeker, Marre?”

Marthom knikte: “Zo zeker als ik maar kan zijn, Gerry. Ze laten ons geen keuze en dan kunnen we er maar beter voor zorgen dat er geen enkele bedreiging meer over is als we eenmaal klaar zijn.”

Ghert stond op en leegde zijn glas met een lange teug. “Goed dan, hup met de geit!” Marthom en Ghert omhelsden elkaar even en toen liep Ghert met vastberaden tred de kamer uit. “Nu komt het erop aan wie de beste kaarten heeft,” mompelde Marthom voor zich uit. Toen grijnsde hij: “Een geluk dat mijn kaarten gemerkt zijn.”

Een zacht kuchje deed hem opkijken. In het deurgat stond één van zijn bedienden. “Ja?” Marthom keek hem ietwat verstoord aan.

“Verschoning Heer Marthom, er zijn bezoekers.”

Marthom wapperde met zijn hand. “Zeg hen dat ze later terugkomen. Ik heb het nu voor onbepaalde tijd even te druk.”

“Te druk?” Weerklonk een vertrouwde stem vanuit de gang en een glimlach waar de opluchting in doorstraalde, brak door op Marthoms gelaat. “Te druk? Alle hellegoden nog aan toe, kzala nogwa drukte bijgeve zodagge wet dagge left!” een forse arm duwde de bediende uit de weg, die nog maar net kon vermijden dat zijn neus hard in aanraking kwam met de deurstijl. De man kwam de kamer in, gevolgd door twee jongemannen in het zwart en een onguur type waar Marthom direct sympathie voor voelde.

“Marrol! Je hebt er geen idee van hoe blij ik ben je te zien.” Ze omhelsden elkaar en even stonden ze mekaar op de rug te kloppen. “Kom,” zei Marthom, “we moeten praten.”