Fragment "Het Zwarte Geheugen"

PROLOOG

 

 

Ruolf keek dromend voor zich uit vanop de muren van Spiewacht. Hij trok zijn mantel wat steviger om zich heen om zich te beschermen tegen de kilte van de nacht en de vallende sneeuw. Het was hier altijd al zo geweest. Koud en steeds die ijzige wind met zijn spookachtige gehuil als stemmen van de geesten van die arme drommels die hier over de muur gezet waren. De witte deken van sneeuw leek de wereld volledig van kleur te ontdoen. Hij vervloekte de dag dat hij naar deze godverlaten plaats verbannen was. Het wachtlopen in Spiewacht was volgens de legenden noodzakelijk vanwege de dreiging die uitging van de Verloren Kusten. Het zou iets te maken hebben met de grote oorlogen van toen. Dat was echter al eeuwen geleden. Hij had er zelf nooit het nut van ingezien om deze grens te bewaken.

Iedereen die hier gestationeerd was, had ooit wel eens de wrevel opgewekt van hooggeplaatste mensen in Avelaso. Floerick, hun kapitein, was vroeger een van de vooraanstaande edelen van het hof. Tot hij een oogje bleek te hebben op de kroonprinses. En zo was er voor elk van hen wel een of andere reden om hier in deze koude uithoek van het rijk wacht te moeten lopen. Verbanning leek er meer op. Ver weg van alle geneugten die een beschaafd mens nodig had. De toren van Duim, een nog noordelijker gelegen post, was al tientallen jaren verlaten en er werd gezegd dat het er spookte.

Nu dienden de Verloren Kusten als ijzige gevangenis voor de misdadigers van Avelaso. Alle dieven, moordenaars, verkrachters, afzetters en ander onguur volk werden zonder pardon over de muur gezet en overgeleverd aan de ijzige koude van de Verloren Kusten. Sommigen zouden het overleefd hebben en een kleine leefgemeenschap vormen. Af en toe kwam er een naar de muur. Hij smeekte dan om binnengelaten te worden of probeerde uit wanhoop de muur te beklimmen. Ruolf hoopte dat hij mee kon gaan met de patrouille die volgende week de nieuwe lading gevangenen zou ophalen in Witgoor. Het was het enige dorp in Noord-Avelaso van enige betekenis, op de Verre Haven na. Hiermee was ook alles gezegd, want veel meer dan een dorp was het ook niet. Er leefden vooral pelsjagers en mensen die hun redenen hadden om een tijdje uit het zicht te verdwijnen. De herberg was echter een welkome afwisseling voor de soldatenkantine van Spiewacht. Als je wilde betalen, kon er ook altijd wel een warm onthaal geregeld worden in een van de bovenkamertjes van de uitspanning. Ja, na een jaar hier op de muren kon Ruolf wel een goede pint bier en een bezoek aan de bovenkamertjes van de herberg gebruiken.

De wind rukte aan zijn mantel en terwijl hij trachtte  het beetje warmte dat hem nog restte bij te houden, zag hij vanuit zijn ooghoek iets bewegen. Hij boog zich over de borstwering om beter te kunnen kijken. Aan de voet van de muur zag hij een man die probeerde tegen de muur op te klauteren. Hij lachte in zichzelf. Waarschijnlijk een van de veroordeelden die de verbanning beu was. Hij zou toch nooit langs de spekgladde muur naar boven geraken. Hij schonk er verder geen aandacht aan. Een schrapend geluid als van metaal over steen deed hem  even later opschrikken en hij keek over de muur om te kijken wat dit veroorzaakte. Ruolfs blik werd plots met afgrijzen vervuld. Het laatste wat hij zag was een flits van metaal en de grond die snel naderbij kwam.

 

Floerick keek vanuit zijn torenkamer neer op de muren van Spiewacht. Tussen de dwarrelende sneeuwvlokken zag hij in het fakkellicht de wachters op de muur. Hij moest onwillekeurig terugdenken aan de winters in Kars. Zachte winters, in niets te vergelijken met de ijzige kou en de sneeuw hier in Spiewacht. De ontmoetingen met de erfdochter in de kasteeltuinen waren hem echter noodlottig geweest. Het was al snel duidelijk dat ze iets voor elkaar voelden. Hoe voorzichtig ze ook waren geweest, hun afspraakjes bleven niet onopgemerkt. Na een gesprek met de heerser over de eerbaarheid van zijn dochter en gezeik over politieke verbintenissen kreeg hij zijn nieuwe post toegewezen. Korpscommandant van het garnizoen in Spiewacht. En hier stond hij dan, verbannen uit het hofleven en ver weg van alle luxe. Zijn geliefde zou een gearrangeerd huwelijk moeten aangaan en voor altijd buiten zijn bereik zijn. Hij haatte het hier maar was vastbesloten zijn plicht te doen. Binnen enkele maanden zou dit zootje ongeregeld terug een geoliede krijgseenheid vormen.

Door de sneeuw kon hij niet goed zien wie er op wacht stond. In het midden van de muur daar, dat moest Ruolf zijn. Zonder twijfel een van zijn trouwste soldaten, ondanks zijn constante gemopper. De andere wachters hadden de beschutting van hun wachthokjes opgezocht. Hij zag hoe Ruolf zich over de borstwering boog. Waarschijnlijk weer te veel gedronken. Hij kon het hem niet kwalijk nemen. In deze uithoek was de fles een welkome afleiding. Plots leek het of Ruolf over de muur verdween, maar twee seconden later stond hij alweer op zijn plaats. Waarschijnlijk gezichtsbedrog. Dat kon gebeuren, door de wind die de neervallende sneeuw in grillige vormen deed rondvliegen.

Floerick zag hoe Ruolf zijn plaats op de muur verliet. Hij liep wat voorovergebogen en het leek of hij ziek was. Floerick bleef hem even nakijken. In plaats van rechtstreeks naar de soldatenverblijven te gaan, ging hij langs de poort. Floerick zag hem een praatje maken met de poortwachter. Plots hakte Ruolf de poortwachter met een zwaardhouw het hoofd af  en opende de zware dubbele poortdelen. De wind werd eensklaps heviger en blies de neerdwarrelende sneeuw weg. Stom van verbazing zag Floerick  een leger voor de poort staan. Monsterlijke, witte paardachtige wezens met rode ogen droegen ruiters die gekleed leken te zijn in ijs.

Floerick herstelde zich van zijn verbazing en riep: “Te wapen!”

Zijn geroep werd echter overstemd door het gehuil van het aanvallende spookleger. Want daar leken ze nog het meest op. Het was net of alle verbannen misdadigers uit het graf herrezen waren om wraak te komen nemen op het land dat hen de dood had in gestuurd.

Floerick nam zijn zwaard en rende de torenkamer uit om de aanvallers te lijf te gaan. Hij sloot zich aan bij enkele soldaten die door het krijgsgehuil gealarmeerd waren. Op de binnenplaats stuitten ze op een onwezenlijk tafereel. Door de witte kledij van hun aanvallers en de dichte sneeuw, leek het of de soldaten tegen de sneeuw zelf vochten. Het ene moment leek alles een muur van sneeuw en even later flitste een zwaard, dat zijn dodelijke tol eiste. Floerick zag al snel in dat de strijd hopeloos was. De aanvallers waren veruit in de meerderheid en bleken goed getraind. Hij riep: “De stallen, naar de stallen”, en trachtte zich een weg te banen naar het stalgebouw aan de overkant van de binnenplaats. Enkele witte gedaanten die voor Floerick opdoemden, bekochten het met de dood. Hij was niet voor niets de beste leerling geweest van de zwaardmeester van Avelaso. Bijna aan de stallen gekomen, botste hij tegen de flank van een van de rijdieren van de aanvallers. Hij dook weg en kon ternauwernood de zwaardhouw van de vijandelijke berijder ontwijken. Daarbij sleurde hij de mantel van zijn belager met zich mee, zodat die bijna van zijn rijdier viel. Het gruwelijke dier steigerde echter en de gekartelde hoeven raakten zijn schouder, waardoor hij op de grond viel. Rijdier en ruiter keerden zich snel naar een volgende tegenstrever. Het was duidelijk dat Floerick de stallen nooit zou bereiken. Er restte hem nog maar een mogelijkheid. Hij wierp de witte mantel van zijn aanvaller over zich heen en kroop tussen de strijdende mannen en paarden door naar de onderkant van de buitenmuur. Daar vond hij na enig zoeken de verborgen hefboom. Hij haalde hem over en een verborgen luik zwaaide open. Floerick liet zich naar beneden vallen, het veilige duister in. Terwijl het luik zich weer sloot verzwakte het geluid van het gevecht. Hij kroop nog enkele meters verder, zakte in elkaar en bleef ogenschijnlijk levenloos liggen.